DE LEER VAN DE VRIJHEID

Hoofdstuk 1 uit:
Bram Moerland
Katharen en de overwinnng van de vrijheid
(voorheen: Katharen en de val van Montsegur)

1.1. Bélibaste, de laatste kathaar

Over lange kronkelweggetjes in Zuid-Frankrijk, rijd ik door een nogal ruig en onherbergzaam landschap, op weg naar een klein dorpje, Villerouge-Termenès.
In dat dorpje staat een museum, het doel van mijn reis.
Het museum bevindt zich in een gereconstrueerd middeleeuws kasteel, dat eerder praktisch geheel tot ruïne was vervallen. Het ziet er nu werkelijk weer indrukwekkend uit. Al van verre zie je het kasteel boven de huisjes uitsteken.
Veel bewoners van het dorpje leven nu van de toeristen die het museum bezoeken.
Enkele malen per toeristenseizoen is er een middeleeuws banket. De inwoners van Villerouge-Termenès verkleden zich dan op z’n middeleeuws en er wordt aan lange tafels in de buitenlucht gegeten. De kostuums zijn prachtig. De wijn van lokale wijnboeren wordt gul geschonken. Er klinkt muziek, middeleeuwse muziek. Op een geïmproviseerd openluchttoneel worden oude verhalen uitgebeeld. Iedereen mag aanschuiven, uiteraard tegen vergoeding van de onkosten.
Het is dan goed toeven in Villerouge-Termenès.
Het is werkelijk alsof je met een tijdmachine terug in het verleden bent verplaatst.
Het is maar goed dat het slechts een verkleedpartij is en je niet echt in de tijd van toen bent teruggekeerd. Want het historisch feit waarop Villerouge-Termenès zich mag beroemen, en waaraan het zijn museum dankt, is nogal macaber. Op de binnenhof van het kasteel werd in 1321 iemand levend verbrand, ene Guilhem Bélibaste. Toen was het daar dus helemaal niet zo gezellig. Hij was een kathaar, volgens het museum zelfs de laatste.
In het museum van Villerouge-Termenès wordt het aangrijpende verhaal van Bélibaste weer tot leven gewekt. De bezoekers kunnen er opnieuw beleven hoe hij als kathaar probeerde te ontkomen aan de inquisitie van de rooms-katholieke kerk, maar tenslotte door een verrader werd uitgeleverd, met noodlottig gevolg.
Het is uiterst curieus om in zo’n verlaten streek - het is het dunst bevolkte deel van Frankrijk - zo’n technisch geavanceerd museum aan te treffen.
In het museum worden de katharen voorgesteld als ‘ketters’. Wat bedoelen de samenstellers van de tentoonstelling daarmee, en klopt het? Waren de katharen wel ketters, dat wil zeggen: van de kudde afgedwaalde schapen? Ik leer daar in dit museum niet echt veel over, het laat mij vooral met vragen achter. Wie waren de katharen eigenlijk? En waarom werden ze door de kerk van Rome vervolgd?

Fantastische interpretaties

Het is mij ondertussen wel gebleken dat het raadzaam is uiterst voorzichtig om te gaan met alles wat ons wordt voorgeschoteld over de katharen, want er bestaan over hen buitengewoon veel misverstanden.
Sommige daarvan zijn ons overgeleverd door de kerk van Rome (die ik hierna vaak kortweg ‘de kerk’ zal noemen). De kerk heeft de door hen zelf geschreven geschiedenis steeds graag als de getuige van hun gelijk willen presenteren. Dat heeft ons een beeld van de katharen opgeleverd dat tot rechtvaardiging moest dienen van de gruwelijke wreedheden die de katharen hebben ondervonden in opdracht van diezelfde kerk. Dat beeld stelt de katharen dus noodzakelijkerwijs in een kwaad daglicht. Nog steeds waart dat beeld rond als een onbetwistbare waarheid over de verderfelijke katharen.
Andere misverstanden worden aangehangen door al te enthousiaste vereerders die hun eigen ideeën op de katharen projecteren, en zichzelf graag zien als de hedendaagse erfgenamen van de katharen. Hun verering leidt maar al te gemakkelijk tot een verheerlijking die al evenmin de toets van de historische kritiek kan doorstaan.
Er zijn weinig stromingen in de westerse geschiedenis die zo zeer zijn belaagd door kwaadaardige en goedwillende interpretaties als het katharisme.
Ergens tussen dat alles bevindt zich de historische realiteit. Maar kunnen we die nog wel achterhalen?

Terug naar de historische realiteit

Ondertussen zijn de inzichten over de katharen drastisch aan het veranderen. In de studie van het katharisme is na de tweede wereldoorlog baanbrekend werk verricht door Franse historici als René Nelli, Jean Duvernoy, Michel Roquebert en Anne Brenon.
Het werk van deze onderzoekers heeft de studie van het katharisme weer gegrondvest in de historische realiteit. Ik zal in dit boek dankbaar gebruikmaken van hun indrukwekkend pionierswerk.
Al zoekende heb ik ontdekt dat de historische werkelijkheid fantastischer, schokkender maar vooral ook gruwelijker is dan de meest fantastische verhalen die ik tot dan toe over de katharen kende.
Die historische werkelijkheid, voorzover ik die althans heb kunnen vinden, wil ik in dit boek tonen.
Veel van de nieuwverworven kennis danken we merkwaardig genoeg aan de inquisitie, die door de kerk van Rome ingesteld was om de katharen te vervolgen. Deze ging buitengewoon grondig te werk. Alle verhoren van verdachte mensen werden zorgvuldig opgetekend. De meeste verslagen van die verhoren kunnen in onze tijd vrij worden bestudeerd.
We beschikken daardoor over een zeer gedetailleerde bron van kennis over het katharisme. Maar de verslagen van de inquisitie betreffen helaas alleen het katharisme in zijn nadagen, lang na de bloeitijd van het katharisme.
In de geschiedenis van het katharisme worden gewoonlijk drie perioden onderscheiden. De eerste periode van 1150 tot 1209 noemt men wel het catharisme triomphant, de bloeitijd van het katharisme.
In 1209 begon de gewelddadige kruistocht tegen de katharen, la Croisade Albigeoise. Die tweede periode duurde tot 1244, het jaar van de val van Montségur.
Omdat men er niet in slaagde het katharisme met geweld uit Zuid-Frankrijk te verdrijven, werd de inquisitie opgericht, een instituut van de rooms-katholieke kerk. Die slaagde er tenslotte in het katharisme in Zuid-Frankrijk te ‘overwinnen’. Deze derde periode, het catharisme finissant, de nadagen van het katharisme, begint met de val van Montségur en eindigt met de brandstapel van Bélibaste in 1321.
De inquisitie verrichtte haar werk vooral in de nadagen van het katharisme. Maar dan is de intellectuele bovenlaag van het katharisme allang óf uitgemoord, óf uitgeweken naar andere delen van Europa.
Het populaire boek Montaillou van Le Roy Ladurie, gebaseerd op de studies van Jean Duvernoy van de verslagen van de inquisitie, geeft dus maar een zeer beperkt beeld van het katharisme, namelijk zoals dat tenslotte in de nadagen overgebleven was onder de ongeletterde bewoners van een afgelegen bergdorpje in de Pyreneeën.
Het boek Montaillou berust voor een groot deel op niet meer dan dorpsroddel en simpel bijgeloof. Zeker interessant voor wie een kijkje wil nemen in het intieme leven van middeleeuwse dorpsbewoners, maar niet echt leerzaam voor wie zich wil verdiepen in het katharisme.
Bélibaste was een van de bewoners van het dorpje Montaillou.
Het verhoor van Bélibaste zelf is niet bewaard gebleven. Maar we weten desondanks opmerkelijk veel over hem uit hetgeen anderen over hem aan de inquisitie vertelden. Waarom de medebewoners van Montaillou bereid waren hun kennis van het leven van hun dorpsgenoot Bélibaste aan de inquisitie mee te delen zullen we later nog leren inzien. We zullen ook zijn levensgeschiedenis nog uitvoerig behandelen.

Waren de katharen gnostici?

Waar komen de katharen vandaan? Lang heeft het beeld bestaan van het katharisme als een eenmalige ketterij, zomaar ergens opeens in de Middeleeuwen. Maar daarin is verandering gekomen. Het katharisme wordt nu veel meer gezien als een onderdeel van een lange historische continuïteit. Anne Brenon opent haar boek Le vrai Visage du Catharisme met de volgende waarschuwing:

Wie het katharisme bestudeert zal onvermijdelijk stoten op de voorstelling uit het kamp van de overwinnaars van het katharisme als een onbeduidend fenomeen, als niet meer dan een warrige en exotische woekering in de Occitaanse achtertuin, temidden van een oceaan van middeleeuwse religieuze onveranderlijkheid. Welnu, het katharisme blijkt helemaal geen geïsoleerd fenomeen te zijn, niet in Europa, en ook niet in de geschiedenis. Voor een goed begrip van het katharisme moet men de horizonten openen en onbevreesd het gehele Europese landschap betreden, zowel in tijd als in ruimte.
In 1945 vond er een belangrijke gebeurtenis plaats waardoor die historische continuïteit nog bevestigd kon worden. Toen werd namelijk in Nag Hammadi, in Egypte, een vijftigtal oude christelijke teksten gevonden uit de eerste eeuwen na Christus. Die teksten gaan over een stroming binnen het vroege christendom, de gnostiek. Hun aanhangers werden gnostici genoemd.
Wat sommigen al eerder beweerd hadden, bleek nu ondersteund door de vondst van deze teksten: er is een grote verwantschap tussen de gnostici uit de eerste eeuwen na Christus en de katharen uit de twaalfde en dertiende eeuw. En die ontdekking heeft niet alleen het katharisme in een nieuw licht geplaatst, maar ook het gedrag van de kerk. Ook het gedrag van de kerk jegens de katharen is geen geïsoleerd fenomeen gebleken. De gewelddadige vervolging van de katharen blijkt slechts de voortzetting van een zeer oude vijandschap van de kerk van Rome jegens aan de katharen verwante christenen, de gnostici uit de begintijd van het christendom.
Als we de verbeten strijd van de kerk tegen de katharen beter willen verstaan, dan moeten we daarom het katharisme plaatsen in het perspectief van een lange geschiedenis, vanaf het ontstaan van het christendom, vanaf de vorming van de kerk als instituut, tot de kruistocht tegen de katharen, tot de val van Montségur, tot de brandstapel van Bélibaste.
Dan moeten we beginnen bij het begin, de eerste eeuwen van het christendom.
In dat lange historische perspectief wil ik trachten zichtbaar te maken dat de angst van de kerk van Rome voor de katharen deel is van een veel meer omvattend proces in onze westerse cultuur dan alleen maar de bestrijding van een plaatselijke ketterij.
In dat lange perspectief kunnen we zelfs de vraag opnieuw stellen wie er nu eigenlijk gewonnen heeft, voor zover je althans in dit verband van winnaars en verliezers zou kunnen spreken.
Als we de strijd tegen de katharen zouden zien als een geïsoleerd incident, zomaar ergens in de middeleeuwen, zou je daaruit de conclusie kunnen trekken dat de katharen de verliezers waren. Maar, in breder verband is dat nog niet zo zeker.
Want, door de onmenselijke wreedheid die in de Croisade Albigeoise, de kruistocht tegen de katharen, namens de kerk van Rome werd aangewend tegen de hele bevolking van Zuid-Frankrijk, verspeelde de kerk van Rome in de ogen van veel toenmalige Europeanen haar morele autoriteit. Het bloedbad van Béziers bijvoorbeeld, waarbij niet alleen de katharen, maar ook de rooms-katholieke bewoners van Béziers werden uitgeroeid, werd bejubeld door de kerk als een door God geschonken overwinning, maar in de ogen van veel tijdgenoten werd het daarentegen ervaren als een morele nederlaag, met verstrekkende gevolgen.
Waren de katharen werkelijk de verliezers?


1.2 Montségur, trots en ongenaakbaar?

Door de vondst van oude christelijke teksten bij Nag Hammadi, weten we tegenwoordig dat de katharen waarschijnlijk hun historische wortels hadden in een stroming uit het vroege christendom, de gnostiek.
Gnostiek, wat is dat? Ik ga daarnaar op zoek. Uit mijn boekenkast pak ik zomaar een boek over de kerkgeschiedenis in die eerste eeuwen. In het trefwoordenregister zoek ik het woord ‘gnostiek’ op. Ik ga naar de aangegeven passage en lees daar:

De gnostiek was een gevaar voor de kerk.
In een ander, even willekeurig boek, een gewoon geschiedenisboek, tref ik de volgende bewering aan:
De golf van gnosticisme die het christendom in de derde eeuw dreigde te overspoelen, was nog gevaarlijker voor de kerk dan de vervolgingen door de Romeinse keizers.
Was de gnostiek werkelijk zo gevaarlijk? En waarom dan wel?

In 1988 bezocht ik een bijeenkomst, georganiseerd door een rooms-katholieke groepering. Er was na een lezing gelegenheid tot het stellen van vragen. Op één van de vragen antwoordt de inleider, een vertegenwoordigeer van het bisdom Utrecht: ‘Dat riekt naar zelfverlossing.’ Er ontstaat een discussie, waaraan ook anderen deelnemen. De inleider kapt de discussie af: ‘Ja, kijk eens, die vraag hebben we in de dertiende eeuw toch definitief beantwoord? Ik zie de zin er niet van om daar steeds weer op terug te komen.’
Wetend wat er in de dertiende eeuw werkelijk plaatsvond, leek me dat een nogal cynische opmerking.
Want er werd veel bloed vergoten om het gelijk van de kerk te vestigen, en dan vooral in die dertiende eeuw. In 1209 werd bijvoorbeeld de stad Béziers uitgemoord. Het was het begin van de kruistocht tegen de katharen in Zuid-Frankrijk, waartoe paus Innocentius III had opgeroepen. ‘Maar hoe kan ik een goed katholiek onderscheiden van een kathaar?’, had een van de belegeraars van Béziers nog aan de pauselijke legaat gevraagd. Het antwoord: ‘Doodt hen allen, God zal de zijnen herkennen’. En die raad volgden de kruisvaarders enthousiast op. De leider van de kruistocht schreef trots aan de paus van Rome dat Gods wraak wonderbaarlijk had toegeslagen, want er waren in Béziers in slechts enkele dagen wel twintigduizend ketters gedood!

Vijfendertig jaar na Béziers, op 16 maart 1244, werden onderaan de berg Montségur nog eens meer dan tweehonderd katharen levend verbrand. De kruistocht tegen de katharen leek daarmee tot een succesvol einde te zijn gebracht, want de gelijknamige burcht op de top van de berg Montségur was de laatste grote nederzetting van de katharen. Er waren nog wel wat verspreide haarden van katharisme overgebleven. Daar zorgde na de val van Montségur de inquisitie voor. Tot tenslotte de allerlaatste kathaar verbrand was. De gnostiek was overwonnen, het probleem was opgelost, het gevaar geweken. De kerk had gezegevierd.
Zo leek het althans.

Montségur

Als littekens van deze bloedige strijd herinneren nu nog slechts enkele ruïnes van de zogenaamde katharenkastelen in het landschap van Zuid-Frankrijk aan de bloeitijd van het katharisme. Eén van die ruïnes is de burcht van Montségur.
Montségur is een berg in een uitloper van de Pyreneeën. In 1204 werd bovenop die berg een burcht gebouwd die later werd ingericht als een bestuurlijk centrum voor de katharen.
Van die burcht is nu niet veel meer over dan wat kale muren.
Wat ik er zie als ik er voor het eerst kom, zijn de schamele restanten van het verleden. Door die ruïne lopend ervaar ik vooral de vergankelijkheid van het voorbije. Dat was de gedachte waarmee ik daar heenging, en die gedachte vond ik weerspiegeld in de stenen.
Maar op enige afstand is dat anders. Later, kijkend vanuit het dorpje Roquefixade, tast ik met mijn ogen de horizon af. Je moet natuurlijk wel ongeveer weten waarheen te kijken. Het helpt als iemand anders je de richting wijst en je iets vertelt over wat je kunt verwachten. En dan ineens, daar in de verte, zie je: een berg tussen de bergen, die ene, met bovenop het rafelrandje van de oude burcht: Montségur, trots en ongenaakbaar.
Dat beeld van Montségur trof mijn netvlies de eerste keer als een schok. Het paste niet in mijn voorstelling van de katharen als de verliezers. Het was alsof zich een eerst nog ongeziene werkelijkheid bij verrassing aan mij meedeelde. Maar... trots en ongenaakbaar?
Toen tijdens de belegering van Montségur allengs bleek dat de verdediging geen stand zou houden, werd een wapenstilstand gesloten van veertien dagen. Daarna zou de burcht zich overgeven. Aan de verdedigers werd de mogelijkheid geboden om vrijuit te gaan, mits ze hun kathaarse overtuiging zouden afzweren.
Er gebeurde toen iets wat nog steeds grote verbazing wekt. Onder de verdedigers waren er velen die aanvankelijk geen kathaar waren. Ze bekeerden zich tijdens die wapenstilstand van veertien dagen alsnog tot het katharisme, en ontvingen de rituele kathaarse zegening, het consolament.
Ze wisten wat hun daardoor te wachten stond: de vuurdood. Maar ze verkozen even trots en ongenaakbaar te zijn als Montségur zich nu nog op afstand toont. Zij sloten zich uit eigen vrije wil aan bij die anderen die verbrand zouden worden.
Waren zij wel de verliezers? Had de kerk wel gewonnen?

De overwinning van Montségur?
Bijna 750 jaar na de brandstapel van Montségur lees ik zomaar in een dagblad, in een column van Aleid Schilder:

Mijn visie is dus dat wij allemaal iets van God in ons hebben en dat onze bestemming is gelegen in het realiseren van die Kern, in het er uiteindelijk mee samenvallen.
Dat is onversneden gnostiek, constateer ik verbaasd. Die ‘gnostische’ opvatting heeft gevolgen voor het handelen van de schrijfster als therapeute:
Ik hoef die ander niet te redden en kan dat ook niet. Daarbij geloof ik dat mijn gesprekspartner in wezen zelf het beste ‘weet’ wat er moet gebeuren.
Ook dat zou welhaast letterlijk zo door een oude gnosticus gezegd kunnen zijn.
We treffen hier een model aan. De overtuiging dat de ander in wezen ‘goddelijk’ is, leidt tot respect voor het zijn van die ander. Als we al in een relatie van hulpverlening tot die ander staan, kan en mag die hulp niet verder gaan dan het wekken van die ander tot ‘zijn eigen weten’, opdat die ander ‘zichzelf kan verlossen’. Dat is precies de rol die aan Jezus wordt toegekend in de oude gnostische geschriften. Hij is daar de verlosser die de mens helpt ‘zichzelf te herinneren.’
Deze in een dagblad gepubliceerde gnostische visie van Aleid Schilder is een opmerkelijke gebeurtenis. Maar het standpunt van de schrijfster is niet eens het meest opzienbarende. Vanuit het lange perspectief van tweeduizend jaar christendom is het werkelijk belangwekkende dat de schrijfster haar mening in vrijheid in het openbaar kon uiten.
Zeker, er is ook nu protest gekomen in de vorm van ingezonden brieven. En opnieuw was het voornaamste tegenargument dat de mens niet in staat is tot zelfverlossing, precies zoals dat door de kerkvaders was geformuleerd als argument tegen de gnostici, zoals dat in de dertiende eeuw had gediend tot rechtvaardiging van de strijd tegen de katharen, en zoals dat tenslotte op de bijeenkomst die ik in 1988 bezocht, nog had gediend om lastige vragenstellers de mond te snoeren. Verlossing kan volgens de kerkelijke leer door onmachtige en zondige mensen alleen verworven worden door onverdiende genade en niet door goede werken, niet door eigen inzet, niet door verdienste. Voor de gnostici was de zelfverlossing het gevolg van een existentiële keus, een keus voor het eigen weten, ook als dat in strijd zou zijn met de leer van welk instituut dan ook.
Aleid Schilder is na de publicatie van haar gnostische visie niet op de brandstapel gezet.
Is dat misschien de overwinning van Montségur?

Uit:
Bram Moerland
Katharen en de overwinning van de vrijheid
Uitgeverij AnkhHermes, 2014
ISBN 9789020210750
(voorheen: Katharen en de val van Montsegur)

U kunt dit hoofdstuk dowloaden als pdf-document.